



Soms krijgt een baby in de buik bloedarmoede. Dit betekent dat de baby te weinig rode bloedcellen heeft. Rode bloedcellen zijn heel belangrijk, want zij vervoeren zuurstof door het lichaam van de baby. Als een baby te weinig rode bloedcellen heeft, kan de baby ziek worden.

Tijdens de afspraak maakt een arts een echo. Zo zien we of de baby bloedarmoede heeft. We kijken naar verschillende dingen:

Als de echo klaar is, heb je aansluitend een gesprek met een gynaecoloog of verpleegkundig specialist van de rhesuspoli. Tijdens dat gesprek wordt uitgelegd wat de ziekte precies inhoudt en wat er gezien is op de echo. Ook wordt de betekenis van bloeduitslagen met jullie besproken.
De antistoffen kunnen ervoor zorgen dat de baby ernstige bloedarmoede krijgt en ziek wordt in de baarmoeder. Als dit gebeurt kunnen we de baby behandelen. Na de echo wordt met jullie besproken of dat al nodig is.
Als een behandeling nog niet nodig is, is het meestal wel nodig om jullie zwangerschap te blijven controleren in het LUMC.
Door wekelijks te kijken naar de conditie van de baby met de echo, kunnen we goed zien of de baby misschien op een later moment de bloedtransfusie wél nodig heeft.
Soms moet de baby eerder worden geboren.

We kunnen de baby in de buik een bloedtransfusie geven. De baby krijgt dan donorbloed via een naald in jouw buik. Hierdoor krijgt de baby weer een normaal bloedgehalte en voelt zich minder ziek.
Soms moet deze behandeling na een paar weken nog een keer gebeuren.

Op de dag van de ingreep kom je naar de afdeling Verloskunde (GeboorteHuis).
Voorbereiding:
Ben je minder dan 26 weken zwanger? Dan mag je gewoon eten en drinken. Ben je verder dan 26 weken? Dan mag je na een licht ontbijt niets meer eten. Je krijgt een zetpil om harde buiken tegen te gaan. De huid wordt plaatselijk verdoofd.

Op het moment van de ingreep worden jullie naar de behandelkamer van het GeboorteHuis gebracht. Je partner of een andere begeleider mag tijdens de behandeling bij je blijven en zit bij je aan het hoofdeinde, net als bij het maken van de echo.
We maken een echo om de ligging van je baby, de placenta en de navelstreng goed te bekijken. Daarna wordt de huid van je buik plaatselijk verdoofd.

Na de ingreep controleren we elke week met een echo de gezondheid van de baby. Zo bepalen we of een nieuwe bloedtransfusie nodig is.
Je buik kan nog een paar dagen gevoelig zijn. Op de plek waar geprikt is, kun je een gevoel hebben dat lijkt op een blauwe plek. Ook kan je buik sneller hard worden als je meer doet. Doe het daarom de eerste dagen na de behandeling rustig aan. Til niet te zwaar en geen zwaar werk in huis.
Ongeveer anderhalve week na de intra-uteriene transfusie kom je terug naar de polikliniek voor controle. Tijdens de transfusie heeft je baby weer voldoende rode bloedcellen gekregen. Daarom hoeft de eerste controle meestal niet direct op de eerste dinsdag na de behandeling plaats te vinden.

Na een zwangerschap met antistoffen en/of intra-uteriene transfusies kun je meestal gewoon vaginaal bevallen. Bij het maken van een plan voor de bevalling kijken we ook naar je medische voorgeschiedenis en het verloop van de zwangerschap.
Meestal proberen we de bevalling rond 37 of 38 weken zwangerschap op gang te brengen. Zo kan je baby zo lang mogelijk in de buik blijven groeien, terwijl we tegelijkertijd voorkomen dat de bloedarmoede weer te ernstig wordt.Heb je tijdens de zwangerschap transfusies gehad? Dan adviseren we om in het LUMC te bevallen.
Na de geboorte ligt je baby op de afdeling Neonatologie (couveuseafdeling).

Veel baby’s hebben in de eerste dagen last van:
De baby krijgt hiervoor vaak lichttherapie (onder speciale lampen) of soms een extra bloedtransfusie. Bij lichttherapie is het soms tijdelijk niet mogelijk om je baby vast te houden of borstvoeding aan de borst te geven. Dat kan lastig zijn, maar onze zorgverleners helpen je hierbij. Deze intensieve zorg duurt gelukkig meestal maar kort.
Gelukkig verdwijnen de antistoffen langzaam uit het lichaam van de baby. Daarna gaat de baby weer eigen bloedcellen aanmaken. Meestal is het probleem na een paar weken tot een paar maanden helemaal voorbij. Je kind houdt hier meestal niets aan over. Daarom zijn er na de babytijd bijna nooit extra controles meer nodig.